You are hereZorg voor Kinderen / Kindermishandeling

Kindermishandeling


.....Kindermishandeling wordt vaak te weinig en te laat opgemerkt...

Deze pagina' s zijn gewijd aan dit hekele onderwerp op de Nederlandse Spoedeisende Hulpen.


www.mednet.nl/actueel/seh-herkent-kindermishandeling-onvoldoende-10112.html

 

(bronpagina:http://www.agressieindegezondheidszorg.nl)/view.cfm?page_id=2104 Nursing, juli/augustus 2004 Auteur: Caroline Hanrath Van de trap gevallen?

Naar schatting vijftigduizend kinderen zijn jaarlijks het slachtoffer van mishandeling. Een aantal van hen komt in het ziekenhuis terecht, maar wordt daar dikwijls niet als slachtoffer herkend. Met een nieuw protocol probeert het Twenteborg Ziekenhuis in Almelo inzicht te krijgen in dit probleem, met als doel een snelle hulpverlening voor zowel kind als ouders. Een peuter komt met zijn vader op de afdeling Spoedeisende Hulp (SEH). De vader verklaart dat zijn zoontje met zijn hond aan het spelen was en de hond het jochie tegen de muur heeft geduwd waardoor het kind zijn bovenarm brak. Een moeder vertelt dat haar baby van drie maanden, die wordt binnengebracht met gekneusde ribben, van de bank is gerold.

Het zijn twee voorbeelden die Jaap Jongedijk, procescoördinator op de afdeling SEH van het Twenteborg Ziekenhuis in Almelo te binnen schieten wanneer het onderwerp kindermishandeling ter sprake komt. In beide gevallen had hij sterk het gevoel dat er iets niet klopte. ‘Het komt zelden voor dat een peuter een bovenarm breekt. Bovendien zag die fractuur er heel raar uit. En een baby van drie maanden kan niet zomaar van een bank rollen; ook hier was duidelijk meer aan de hand.’ Achttien jaar werkt Jaap Jongedijk op de SEH. Dat hij in al die tijd slechts twee keer een (vermoedelijk) geval van kindermishandeling is tegengekomen, vindt hij wel erg weinig gezien de omvang van het probleem. Hoewel er in Nederland en Vlaanderen geen duidelijke cijfers voorhanden zijn, wordt op basis van Amerikaans onderzoek uitgegaan van minstens vijftigduizend kinderen die jaarlijks slachtoffer zijn van fysieke, psychische of seksuele mishandeling of verwaarlozing.1 Volgens Jongedijk zou het logisch zijn dat enkele tientallen van deze kinderen in het ziekenhuis op de SEH zouden verschijnen. ‘Toch zien we die kinderen niet,’ constateert hij. ‘Dat betekent dat kindermishandeling in onze regio helemaal niet voorkomt, of dat we de signalen over het hoofd zien. Ik denk dat dit laatste het geval is.’

Testen.

Voor het Twenteborg Ziekenhuis waren de alarmerend hoge cijfers aanleiding om het protocol Signalering kindermishandeling te ontwikkelen. Verpleegkundigen krijgen daarin een belangrijke rol toebedeeld als het gaat om het signaleren en het rapporteren van kindermishandeling. Deze rapportages moeten de kinderarts in staat stellen om tot snelle interventie over te gaan als de situatie daarom vraagt. Daarom wordt elk kind dat de SEH bezoekt door een verpleegkundige getest. Op die manier probeert de verpleegkundige er achter te komen of het letsel het gevolg zou kunnen van mishandeling. Dit testen gebeurt aan de hand van zeven screeningsvragen. * Ziet het letsel er gebruikelijk uit? * Is dit een gebruikelijke plek voor dit soort letsel? * Klopt het uiterlijk van het letsel met de opgegeven ouderdom van het letsel? * Klopt de verklaring voor het letsel met soort, plaats en uiterlijk van het letsel? * Klopt het verhaal van het kind met dat van de ouders? * Is de veroorzaker meegekomen? * Was de ondernomen actie van ouders of verzorgers adequaat? Klinisch onderzoek Wanneer de SEH-verpleegkundige een van deze vragen met nee beantwoordt, vult zij een tweede formulier in. Op dit zogenaamde signalenformulier beschrijft zij heel gedetailleerd het soort letsel (bijvoorbeeld kneuzingen, steek-, brand- of snijwonden) en de uiterlijke kenmerken (kleur, vorm, wondranden). Ook probeert de SEH-verpleegkundige zoveel mogelijk informatie van de ouders in te winnen over tijdstip en oorzaak van het ongeval en wie er bij aanwezig waren. Dit laatste is van belang om te kunnen achterhalen in hoeverre de informatie die de ouders geven strookt met de waarnemingen van de verpleegkundigen. Zodra het signalenformulier is ingevuld, overlegt de verpleegkundige met de arts. In ernstige gevallen zal deze gelijk een kinderarts in consult roepen. De kinderarts kan – indien de situatie dat vereist - besluiten om het kind direct te laten opnemen. In minder ernstige gevallen wordt met de ouders op korte termijn een afspraak gemaakt voor een klinisch onderzoek. Blijkt het aanvankelijke vermoeden achteraf toch onterecht te zijn, dan maakt de verpleegkundige daar melding van in de SEH-registratie. Zij geeft daarbij aan waarom er aanvankelijk twijfel bestond en welke informatie deze twijfel wegnam. Jongedijk verwacht dat door het screenen van kinderen aanzienlijk meer gevallen van mishandeling aan het licht zullen komen. ‘Op het moment dat de kinderen op de Eerste Hulp komen, is het letsel nog duidelijk zichtbaar. Bovendien zijn ouders vaak aangeslagen door de gebeurtenissen. De kans is dan groot dat ze juist dan informatie prijs geven over de toedracht van het ongeval.’

 

Sociale context

Op de afdeling Neonatologie, Kind en Jeugd van het Twenteborg Ziekenhuis wordt het protocol in grote lijnen op dezelfde manier nageleefd als op de SEH. Ook daar vormt het signalenformulier voor de verpleegkundigen een belangrijk instrument om objectief hun waarnemingen vast te kunnen vastleggen. En net als op de afdeling SEH wordt bij een vermoeden van ernstige mishandeling direct de kinderarts geconsulteerd. Maar waar de SEH- verpleegkundigen zich voornamelijk concentreren op de uiterlijke kenmerken als blauwe plekken, botbreuken, kneuzingen en verwondingen, nemen kinderverpleegkundigen ook het gedrag van het kind, de omgang met de ouders en de sociale context van het kind mee in hun observaties. De verpleegkundigen beschikken over een lijst met kenmerken en risicofactoren die kunnen duiden op mishandeling en verwaarlozing van kinderen. Zoals spraak- en taalstoornissen, motorische achterstand, nervosititeit, onderworpen of juist opstandig gedrag. Deze signalenlijst dient als hulpmiddel om een vermoeden van kindermishandeling te kunnen onderbouwen, niet om kindermishandeling te ‘bewijzen’.

‘De observaties zijn niet bedoeld om ouders in diskrediet te brengen, maar om de achtergronden en de oorzaken van de mishandeling boven tafel te krijgen, benadrukt Ans Detert Oude Weme, hoofd van de afdeling Neonatologie, Kind en Jeugd. Volgens haar mishandelen ouders hun kind zelden uit sadisme, maar eerder uit onvermogen om met hun kind om te gaan. Soms hebben ouders zelf een verleden met mishandeling of verwaarlozing, kampen ze met een verslaving of hebben ze een totaal gebrek aan pedagogisch inzicht. Ook kunnen tal van andere problemen aan de mishandeling ten grondslag liggen, zoals echtelijke spanningen, financiële zorgen of huisvestingsproblemen. Stressfactoren ‘Een paar maanden geleden kwam hier een moeder die voor haar baby speciale voeding kreeg voorgeschreven. In de loop van het gesprek kwam de verpleegkundige er achter dat de moeder die voeding niet kon betalen. Dat soort gezinnen vormen een zeker risico. Niet alleen omdat de baby ondervoed dreigt te raken, maar ook omdat de moeder door een opeenstapeling van stressfactoren – geldgebrek, een huilend kind – overspannen kan raken. De kans dat zij die spanningen op haar kind afreageert, is niet ondenkbaar, ’aldus Ans Detert Oude Weme.

Wanneer ouders aangeven dat ze hulp willen, dan kan dit vanuit het ziekenhuis in gang worden gezet. Dit gebeurt onder leiding van de kinderarts. Samen met de ouders kijkt deze welke vorm van hulpverlening het beste bij het gezin past. Afhankelijk van de situatie wordt dan contact opgenomen met een maatschappelijk werker of een psycholoog. Ook kunnen ouders op de kinderafdeling samen met hun kind speltherapie krijgen onder begeleiding van een pedagogisch medewerker. De kinderarts treedt op als coördinator en bepaalt hoelang de hulp binnen het gezin nodig is. Willen ouders geen hulp, terwijl het vermoeden van mishandeling blijft bestaan, dan volgt een melding bij het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling en draagt de kinderarts de zorg voor het kind aan deze instantie over.

Dit laatste zal alleen in uiterste gevallen gebeuren, zegt Ans Detert Oude Weme. ‘Als ziekenhuis zijn we ervan overtuigd dat achter elke mishandeling een zware hulpvraag ligt. Als ouders die hulpvraag uiten, is het onze taak om daarop in te gaan.’

 

Literatuur:

* Child abuse and neglect fatalities: statistics and interventions/ National Clearinghouse on Child Abuse and Neglect Information. www.nlm.nih.gov/medlineplus/childabuse.html

* Baeten P, Model handelingsprotocol & randvoorwaarden zorgprogramma’s, Ministerie van Justitie, april 2004.

* Baeten P, Geurts E, In de schaduw van geweld (Kinderen die getuigen zijn van geweld tussen hun ouders), NIZW-uitgave; bestelnummer E 23181, www.nizw.nl.

* Adriaensens P, Smeyers L, Ivens C en Vanbeckevoort B. In vertrouwen genomen, Lannoo, Tielt, 1998.

* Adriaanssens P, Eggermont E, (red), Kindermishandeling: Perspectief in interacties, Garant, 1991.

Internet Nederland:

www. huiselijkgeweld.nl

www.kindermishandeling.info

België: 

www.kindermishandelingleuven.be 

www.kindengezin.be 

http://users.skynet.be/oase/incest.html 

http://users.skynet.be/oase/kindermi.html

 

 Wat te doen bij een vermoeden van kindermishandeling?

* Bespreek je vermoeden met een collega, een procescoördinator of met een medicus. Handel nooit alleen; ga nooit zonder overleg over tot interventies op basis van alleen vermoedens.

* Verzamel gegevens die het vermoeden kunnen onderbouwen.

* Vraag je af waarom je een vermoeden hebt en probeer de aanwijzingen daarvoor zo concreet mogelijk te beschrijven. Let daarbij goed op de plaats waar het letsel zich bevindt. Is dat een gebruikelijke plek? Blauwe plekken op de schenen komen bij jonge kinderen regelmatig voor. Een blauwe plek op de rug of achter het oor zelden.

* Leg de waarnemingen zo mogelijk voor aan het kind en/of ouder (‘ik zie een blauwe plek’) en luister naar de verklaringen die zij ervoor hebben. Klopt de verklaring voor het letsel met soort, plaats en uiterlijk ervan?. Klopt het verhaal van het kind met de ouder? Vraag ook naar de toedracht van het ongeval. Hoe is het gekomen, wie waren erbij en welke actie hebben ouders daarna ondernomen.

* Leg alle observaties zo gedetailleerd en objectief mogelijk vast in het zorgdossier. Kader Basishouding bij het gesprek met de ouders

* Ouders die hun kinderen mishandelen zijn gewone mensen die hulp nodig hebben. Meestal zijn ze machteloos, onkundig, overspannen of verward en hebben ze problemen met hun eigen agressieregulatie. In vrijwel alle gevallen willen ze het beste voor hun kind. Doelbewuste mishandeling waarbij sprake is van een psychiatrische stoornis zoals sadisme komt zelden voor.

* Bij binnenkomst in het ziekenhuis is er een ‘golden window of opportunity’. De ouders zijn kwetsbaar, emotioneel en de kans is het grootst dat ze op dit moment open informatie geven over wat er is gebeurd. Laat die kans niet liggen, maak er gebruik van.

* Beschuldigen en veroordelen van ouders is zinloos; de kans is groot dat ouders zich dan afsluiten voor verdere hulp. Ga daarom zoveel mogelijk naast de ouders staan en toon je bezorgdheid, begrip en steun. Soms moet je daarvoor een beetje meebewegen in hun opvatting dat hun kind een rotkind is (‘moeilijk hè, zo’n koppige peuter…’ of ‘ze halen soms ook het bloed onder je nagels vandaan’). Dit is een noodzakelijke stap om een opening tot hulp te maken.

* Luister serieus naar wat ouders te vertellen hebben, zonder te oordelen. Onderbreek hen niet en vul geen dingen voor hen in. Wees niet bang om stiltes te laten vallen. Realiseer je dat achter elke mishandeling een hulpvraag ligt.

* Bied hulp aan indien ouders aangeven dat te willen. (‘Wat kan ik voor u doen?’, ‘Zal ik voor u een afspraak maken met de kinderarts?’)

 

Kader Nederland: Advies- en Meldpunt Kindermishandeling

Het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK, voorheen Bureau Vertrouwensarts) adviseert hulpverleners wat ze kunnen doen bij een vermoeden van kindermishandeling. Advies vragen kan op basis van anonimiteit. Willen de ouders geen hulp, dan volgt meestal een melding bij het AMK. In dat geval is het wel nodig dat de naam van het kind en het gezin bekend worden gemaakt. Ook de hulpverlener zelf kan dan niet langer anoniem blijven. Na de melding neemt een vertrouwensarts van het AMK contact op met het gezin om de hulpverlening op gang te brengen, zonodig door inschakeling van de Kinderbescherming. In 2002 bedroeg het totale aantal gezinnen waarover de AMK´s zijn benaderd 25.374 (een stijging met 8,9% ten opzichte van 2001). Daarvan betrof het 7.212 keer een melding, over 18.162 vermoedens van kindermishandeling werd advies of consult gevraagd. Voor meer informatie en telefoonnummers: www.amk-nederland.nl.

 

België: Vertrouwenscentrum Kindermishandeling In elke Vlaamse provincie en in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest is er een Vertrouwenscentrum Kindermishandeling. Iedereen die al dan niet beroepsmatig te maken heeft met kinderen of jongeren en een vermoeden heeft van kindermishandeling kan hiermee contact opnemen voor advies, hulpvragen of een melding.

Adressen en telefoonnummers zijn te vinden op www.kindinnood.org/indexNl.htm.

 

Uit de cijfers van de vertrouwenscentra blijkt dat het aantal meldingen van kindermishandeling in België de afgelopen jaren is toegenomen van 3.000 in 1991 tot 8.000 in 2002.

 

Praktijkprijs voor checklist kindermishandeling

De afdeling Spoedeisende hulp (SEH) van het Sophia Kinderziekenhuis in Rotterdam hanteert, net als het Twenteborg Ziekenhuis in Almelo, een checklist bij vermoedens van kindermishandeling. SEH-verpleegkundige Sandra Nooteboom ontwikkelde de checklist op basis van een eigen onderzoek, nadat zij vermoedde dat het werkelijk aantal mishandelde kinderen op de SEH groter was dan gediagnosticeerd. Ze ontving recentelijk de Anna Reynvaan Praktijkprijs voor haar onderzoek. De checklist bestaat uit zes vragen. Volgens Sandra Nooteboom is de strekking van haar vragenlijst vergelijkbaar met die van het Twenteborg. ‘Alleen spreken wij niet van letsel, maar van ‘klacht.’ Hierdoor ondervangen we ook verwaarlozing. Denk aan uitdroging door braken, waaraan de ouder onvoldoende aandacht heeft besteed.’ Als op een of meer vragen met nee wordt geantwoord, treed het protocol kindermishandeling in werking. ‘Daarbij spelen we open kaart, maar zónder de ouder te veroordelen. We bespreken dan dat we ons oprecht zorgen maken om het kind,’ aldus Nooteboom. Bij milde gevallen volgt een belafspraak door een maatschappelijk werker om te bespreken hoe de ouder de zorg voor het kind kan verbeteren. Bij ernstiger gevallen begeleidt een maatschappelijk werker de ouder bij een volgende poliafspraak, bijvoorbeeld om te bespreken of pedagogische hulp nodig is. Bij acute gevallen volgt opname van het kind.

 

Wie is hier nu ook?

There are currently 0 users and 2 guests online.